Start   Artikelen   Rehabilitatie-Centrum   Video's   Grote-Verzoendag 

 Contact 
 Landkaarten   Russische-Liederen 

Levensverhaal Nikolaj

Graag vertel ik mijn levensverhaal. Ik ben Nikolaj Fjedotov Aleksejewitchj, op 19 december word ik 53 jaar. Ik ben geboren in Aleksin in de Toela-provincie ten zuiden van Moskou.
Ik heb 24 jaar gevangen gezeten. Niet aan één stuk al die jaren. Toen ik de eerste keer zat wegens stelen kreeg ik zes jaar, de tweede keer kreeg ik acht jaar strafkamp. Verder heb ik de communisten gehaat. Ik deed niets liever dan hen dwarsbomen. Vele jaren zat ik gevangen voor mijn trouw aan de laatste tsaar Nikolaj. Als er nog eens een tsaar in Rusland komt, ben ik graag zijn onderdaad en helper.

Mijn vader dronk, hij heeft zich in 2007 uiteindelijk dood gedronken. Hij sloeg me vaak toen ik nog kind was. Ik vluchtte dan de straat op. De straat werd meer en meer mijn thuis. Zeker toen mijn moeder ook nog stierf. Ze was nog zo jong. Maar zoals zij gestorven is, zal ik nooit vergeten. Ik zag dat ze naar de hemel ging. De hemel, waarover ze me had verteld. Haar gezicht straalde. Nooit meer heb ik iemand zien sterven als zij. De hemel was op haar gezicht te zien. Zo mooi. Onvergetelijk. Haar bed lag vol bloemen, ze hield zo van bloemen. Ik trok bloesemtakken van de bomen en legde die op haar bed. Tussen al die bloemen is ze naar de hemel gegaan.

Mijn vader bracht me bij een tante, een zus van mijn moeder.
Ik voelde me afgedankt, beledigd en alleen. Ik noemde haar geen tante, maar baboeska oma.
Zij bad ook. Ik heb met mijn handen haar mond wel eens dichtgehouden. “Nikolaj, niet doen. Ik praat met God”, zei ze dan. God, wie is dat? dacht ik dan.

Als jongen bekeek ik de Komsomol, de communistische jeugdbeweging, maar al gauw zag ik hun leugens. Ze beloofden veel, maar deden niets. Ze spraken over elkaar helpen, maar je werd hun slaaf. Ik tatoeëerde mijn vingers, want met getatoeëerde vingers kreeg je geen toegang tot de Komsomol.

Op een keer reed ik met vrienden in een auto. We achtervolgden iemand van de geheime dienst om hem te grijpen en te doden. Alles was geregeld, hij kon ons niet ontsnappen. Plotseling hield onze auto ermee op. Ik heb echt verstand van auto ´s, maar ik kreeg hem niet aan de praat. Ik was verbaasd en verbijsterd. Zou er toch een God zijn die me wilde tegenhouden? dacht ik.

Isoleercel
In het kamp ging ik eens voor tien maanden de isoleercel in. Er was alleen een raampje, niet groter dan een handpalm. Dag en nacht vervagen dan, je kunt met niemand praten. Velen roepen na tien dagen al om vrijlating, anderen zijn na tien weken gek geworden.
Ik liep in die kleine cel zes stappen heen, zes stappen terug. Uren en urenlang om zo mijn lichaam in conditie te houden en mijn geest onder controle te houden. Na tien maanden werd ik vrijgelaten. Ik was niet gek geworden. Wel kon ik na die tijd met weinig licht veel beter zien, ook al waren mijn ogen niet zo goed. Waarom had ik het volgehouden? Was er dan toch een God? Ik kon bijna niet om Hem heen.

Het was Pasen. Veel mensen, vooral vrouwen, gingen naar de kerk. Ook ik ging mee. Ik liep naar voren en riep luid en duidelijk: ‘O God, geef me een miljoen engelen om het communisme te verslaan.&esquo; Ik herinner me nog de vrede die toen in me neerdaalde, zo ongekend en onbekend. Er was dus toch een God. In mijn binnenste werd het vrede. Maar ik word wel meteen opgepakt en in de boeien geslagen. Ook mijn baboeska werd gearresteerd en ondervraagd. Omdat ze zo oud was, mocht ze naar huis.

Een Bijbel uit Zegveld
‘Het antwoord op je vragen staat in de Bijbel’, zeiden ze vaak. ‘Geef me dan een Bijbel’ vroeg ik. ‘Die hebben we niet. We hebben wel een adres voor je in Holland van een zekere Atie. Zij stuurt Bijbels op.’ Ik durfde eerst niet te schrijven, andere gevangenen deden dat wel. Toen schreef ik ook. Een pasar jaar daarvoor moest je nog de gevangenis in, als je contact had met een buitenlander. Nu schrijf ik en ik krijg een Bijbel met grote letters, omdat mijn ogen niet zo goed zijn. Tot op de dag van vandaag is dat mijn Bijbel. Voorin staat: 1991 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. Van broer en boer Lodewijk in Zegveld.

Steeds meer gevangenen komen luisteren als Joera en Iwan komen. De een na de ander bekeert zich. Samen met Leonied mag ik een ruimte in het kamp tot gebedskamer ombouwen. Prachtig om te doen. Blauwe verf op de muren maakt het tot een echt gezellige kamer. Er komen zelfs planten en er komt vitrage voor het raam. Van een zijkamertje maken we een bibliotheek voor de gevangenen, want behalve Bijbels krijgen we nu ook boeken over het geloof toegestuurd. Leonied, mijn vriend, moet langer zitten, ik ben na een tijd weer vrij. Gezond en niet besmet door tbc loop ik de poort uit.

Ik ga werken. Ik help een opvangcentrum voor vrijgekomen gevangenen op te richten. Eerst vinden we geen onderdak, maar het lukt me een oude treinwagon te krijgen. Daar eten en slapen we. Van een flink stuk grond maken we een aardappelveld. Een boer uit de omgeving helpt ons met zijn machine om de stenen uit de grond te halen. Later helpt hij ons ook bij het rooien van de aardappels.

Bezoek uit Nederland
Dan wordt het 1996. Atie komt ons bezoeken. Velen hebben al over haar gehoord: God riep haar om gevangenen in Rusland te helpen toen ze nog een kind was. Ze heeft onze taal geleerd. Dat doet ons goed, maar het is zo wonderlijk. Een vrouw uit Holland kiest voor ons, waarom niet voor de zon in Hawaï? Ik zie hoe ze een koe probeert te melken. Dat kan ze niet eens. We maken er een grap van: ‘Weet je wat die koe zegt? Houd mijn uiers maar vast, dan zal ik gaan springen.’

Een tijdje later word ik opgepakt. Vreselijk. Ik zou iemand vermoord hebben. Ik ga weer de cel in. Ik zit weer alleen, in afwachting van mijn rechtszaak. Dan ben ik zo alleen, zo geschokt. God, God, God! Weer in de cel en waarom? Ik ben toch onschuldig! Einde Nikolaj, dreunt het in mijn hoofd. Ik weet intussen wel wie tegen mij is: de duivel. Ik weet wel wie voor mij is: Jezus. Maar de duivel is nu zo dichtbij. Hij schreeuwt: ‘Einde van Nikolaj.’ Ik ben bang, hij is zo dichtbij. Ik kniel in de cel en roep tot Jezus. Dan geef ik me helemaal over aan Jezus: ‘Niet mijn wil geschiede, maar de Uwe. U bent voor mij gestorven, nu zal ik leven voor U.’

Ik besluit niet meer te eten. Ik ga vasten. Niemand weet waar ik ben. Ik ben zo alleen. Na negen dagen is de paniek in mijn hart groot. Op de tiende dag doet een bewaker mijn celdeur open. ‘Nikolaj, ken jij Adriana de Koning uit Holland?’ ‘Ja’, zeg ik. ‘Ze groet je in deze krant. Nikolaj, je was mijn vriend, je bent mijn vriend en je zal mijn vriend zijn.’
Ik lees het interview met haar in deze krant voor gevangenen. ‘Geef me weer te eten’, roep ik de bewaker toe. De rechter spreekt later het vonnis uit: Schuldig. Ik moet mijn straf uitzitten in Kamp 7. Weer vele jaren in een groot kamp, afgezet met muren en prikkeldraad.

Maar in dit kamp krijgen we van de directeur toestemming om een kerkje te bouwen, compleet met een ‘gouden’ uientorentje. Ook hier maken we een aardappelveld, maar we bouwen ook kassen in het kamp met plastic muren en daken voor tomaten en komkommers. We fokken konijnen en we houden zelfs kippen. Een slimme directeur, hij heeft 2000 man personeel. 2000 mannen die graag wat te doen hebben om de tijd te doden. De sfeer in het kamp verandert hierdoor.

Onschuldig
In 1997 loopt Atie met haar vriendin ons kamp in. Ik til haar op, draai haar in de rondte, zet haar weer neer. ‘Nikolaj, wat ben ik blij je hier te zien’, zegt ze. We lachen. ‘Liever zag ik je in vrijheid.’ Voor hun komst hebben we nog gauw de vloer in de kerkzaal gedweild. Dan begint een feestelijke dienst met zingen en het vertellen van verhalen. Ieder heeft zo zijn eigen verhaal: hoe hij Jezus vond of hoe Jezus hem vond en redde uit de ellende.

Na twee jaar hoor ik dat de echte moordenaar zich bij de politie heeft aangegeven.
Dat is echt ongelooflijk, zeker in Rusland. Ik ben weer vrij. Toch blijf ik nog een half jaar in het kamp, want zoveel gevangenen zijn nieuwsgierig naar God. Ze zitten vol vragen.
Ik kan hen niet alleen laten.

Nu is het 2008. Iwan is een aantal jaren geleden overleden. Met veel vrijgekomen gevangenen hebben we hem begraven. We timmerden zelf een kist voor hem, we vulden de open kist met bloemen. Velen dankten God voor hem. Iwan zocht ons op toen wij opgesloten zaten. Mijn baboeska is nu mijn thuis, ze is als de liefste mama. Ze is oud, maar nog zo sterk. Ze heeft een moestuin. Ze loopt elke keer een kilometer heen en weer om water te halen voor de tuin. We kunnen leven dankzij God en dankzij de moestuin. Ze heeft zoón groot verdriet. Haar kleinzoon werd vermoord door dronken jongelui.
Ze kon het kind niet eens begraven. Jaren heeft ze om hem gehuild.

Al jaren ben ik nu één van Aties vrienden. Ik ga altijd met haar mee op haar reizen door Rusland. We zijn nu een groep geworden die overal vertelt over God. Wij, Nederlanders en Russen, noemen onszelf een commando van Gods liefde. Het liefst gaan we de kampen voor gevangenen in, maar we bezoeken ook armenhuizen, kindertehuizen en ziekenhuizen. Onze handen zijn altijd gevuld met verrassingen: fruit, chocola, kleding, sportmateriaal en natuurlijk Bijbels en kinderbijbels. Het Leger des Heils heeft een prachtige leus: soup, soap and salvation. Ook wij helpen graag heel praktisch en we zingen over het heil. We zingen meer dan we preken. Ik zei vroeger altijd: ‘Ik wil alles doen voor God, maar ik ga niet zingen. Nu zing ik zet zo hard als de anderen mee.’

Het was heel bijzonder dat Atie net in Rusland was, toen mijn vader overleed. Ik kon nog met hem praten voor zijn dood. ‘Papa, ik vergeef u alles wat u mij aangedaan hebt’, zei ik. Hij zei toen: ‘Ik hoop dat God medelijden met mij heeft, als ik voor zijn troon sta.’ Ik heb van mijn vader in ieder geval één ding geleerd. Ik drink nooit!!

Toekomstdromen
We maken lange reizen door Rusland. Als de Hollanders slapen, blijf ik wakker.
In 2009 willen we naar Jakoetsk in het oosten van Siberië gaan om bij de vrijlating van een gevangene te zijn. Hij zat meer dan 30 jaar gevangen. Hij kreeg 25 jaar, omdat hij een bewaker had gedood. Jezus zocht hem op in zijn cel. Nu is hij als een vader voor veel gevangenen.

Joera is mijn beste vriend geworden. Bij zijn ouders is voor mij altijd een slaapplek. Ook hij gaat altijd mee op onze reizen. Hij heeft de leiding. Ik zorg altijd voor de tickets, ik maak de afspraken en ik maak de fotoĺs voor Atie.

Mijn droom? Ik wil een opvanghuis voor vrijgekomen gevangenen. Ze moeten een thuis hebben, ze moeten leren met anderen samen te leven, leren een gezin te zijn. In een kamp leef je alleen maar voor jezelf, je probeert te overleven.

Nog een droom? Ik wil dat elke Rus een Bijbel krijgt. Duizenden Bijbels bracht ik al naar Siberië. Wagonladingen vol begeleidde ik al. Ook op de reizen met de Hollanders nemen we kiloĺs Bijbels mee in onze bagage. Ik werk nu voor de uitgeverij Gideon. Ik heb alle vrijheid om Bijbels mee te nemen en uit te delen. De communisten van vroeger en nu haat ik niet meer. Ik houd van de mensen. Maar ik heb geen goed woord over voor een wreed systeem. Ik gun iedereen liefde en vrede. Shalom.

Nikolaj

  Terug naar Artikelen menu